Arnhem Disneyland

De laatste stadgenoten waren zo onderhand van vakantie teruggekeerd en leken weer helemaal ‘gewend’. Dat gaat verrassend snel, dat wennen aan je normale leven. Eerst kijk je nog een paar uur met buitenlandse ogen naar je vertrouwde omgeving, alsof je er net komt wonen. Maar na het doornemen van de post is het wel gedaan met die nieuwigheid, dan dommelen we weer in een soort halfslaap, qua kijken dan…

…Mijn penvriendin S. – zo’n ouderwetse met wie je uitsluitend schriftelijk contact hebt – was een paar maanden in India. Na thuiskomst deed ze er een hele dag over om aan het straatbeeld te wennen.
‘De straten zo leeg,’ schreef ze. ‘De vrouwen zo kleurloos. Gisteren viel me op dat je ineens weer koppen herkent in het straatbeeld, vaste figuranten die je niet persoonlijk kent behalve dat ze er altijd rondlopen.’
Zelf ben je natuurlijk ook figurant in het straatbeeld van de anderen, dacht ik, maar het ging nu om de eigen blik die als vanzelf steeds weer in de stand ‘gewoontjes’ werd gezet.
Ik nam me voor om mijn kijkgedrag een opfrisbeurt te geven. Daarom ging ik naar Arnhem om de stad met nieuwe ogen te bekijken. Ik speurde de puien in de binnenstad af maar ik ontdekte niets nieuws. Integendeel, het viel me des te meer op dat de winkelstraten in West-Europa grenzeloos aan het klonen zijn geslagen. Dat schoot niet op dus richtte ik de blik naar boven. Wist u dat Arnhem een dubbelstad is? Met een begane grond (vrij saai) en vijf meter daarboven een verdieping waar de tijd heeft stilgestaan. Erkertjes, zuiltjes, boogjes, trapgeveltjes, Jugendstil, Neoklassiek, wat al niet, Anton Pieck zou ervan likkebaarden. Onbe¬grijpelijk dat het winkelpubliek nog naar de etalages keek. Ik kreeg de smaak te pakken van het hogerop zoeken en trakteerde me op een lift in de Eusebiustoren.
Ik kwam terecht in Disneyland. Ver boven de gekrioel van de markt, op de zesde etage, trof ik een verzameling sculpturen van stripfiguren aan, een paar meter boven de wijzerplaten. Aan de oostkant meende ik Goofy te herkennen en biggetje Knor. Aan de westkant hingen zeven dwergen plus een onbekende. Ze keken recht voor zich uit, naar een betere wereld, of in ieder geval naar de einder. Een van de dwergjes had echter een bril en staarde treurig naar beneden. Ook die ene onbekende liet het kopje hangen.
‘Die met die bril, dat is predikant Foeken,’ vertelde een mevrouw die de wederopbouw van de Eusebius helemaal had meegemaakt . ‘Hij was indertijd fel gekant tegen stripfiguren op de kerk. En die onbekende is Pa Pinkelman. Ook een bekende cartoon uit de jaren vijftig. Een creatie van toen immens populaire schrijver Godfried Bomans. Die vond het ook maar niks dat de kerk werd versierd met allerlei profane wezentjes. Om te pesten heeft de beeldhouwer ze er toen tussen gezet.’
De dominee schijnt gezegd te hebben: ‘Ach, ik zal er niet eeuwig hangen.’
Hij bezat een voorspellende gave: vorig jaar donderde er een stuk van een medesculptuur tussen de marktkramen en kon meteen verkocht worden op rommelmarkt. Zelf is hij zijn neus al kwijt.
Mijn vakantie in die hogere sferen duurde een uur. Eenmaal naar beneden gezoefd namen mijn oude ogen na een paar minuten de regie weer over. In de kerk zelf ontdekte ik nog wel twee gebeeldhouwde dames van plezier, temidden van stenen nonnetjes. Een hommage aan de hoertjes in het Spijkerkwartier, maar dat was toen nog een red light district in wording waarvan niemand vermoedde dat de meisjes uiteindelijk naar een uithoek van het industrieterrein geprocedeerd moesten worden.
Op het terras van Dudok trof ik mijn schrijvende vriend A. Ik vertelde hem over mijn nieuwe-ogen-missie en hoe snel je in oude kijkgewoonten terugvalt.
‘Misschien moet ik iemand anders worden om een wezenlijk nieuwe blik te krijgen,’ opperde ik.
‘Dat gaat niet lukken,’ antwoordde hij beslist. ‘Ontdekken wie je bent, daar hebben hele volksstammen een dagtaak aan. En daarna moet je ook nog eens wórden wie je bent… nee, dat kost al moeite genoeg.’

handtekeningjactoes

Share this page with your: