Toes vs. de Staat
16 juni 2010
Op 15 juni stond Jac. Toes voor de bestuursrechtbank in Arnhem. Doel was om de boycot te doorbreken die Nederlandse msidaadromanciers treft bij het aanvragen van een subsidie bij het Lettererfonds. Jac. Toes hield het volgende pleidooi:
Edelachtbaren,
Er bestaat een scène van Jiskefet, Boekenwinkel geheten, waarin Michiel Romeyn als een patserig mafiabaasje en Kees Prins als zijn mafiamaatje een terreinwagen voor een boekhandel parkeren. Ze lopen de zaak binnen, chicaneren de boekverkoopster tot op het bot en eisen ten slotte dat ze een boek uitzoekt voor de vriendin van Romeyn. Dat moet een boek zijn met, ik citeer: ‘…iemand die op soek is naor ergens toe en oftie het vindt is vraog twee. Dan gao je mee met die man of vrouw, dat maokt niet uit, als tie halverwege maor in verwarring raokt.’ In het middenstuk dienen verder ‘twee lagen (‘drie mag ook’) te sitte’, en vooral van belang is: ‘Een open ènde, ja? Snap jai dat?’
De boekverkoopster zoekt naar beste weten zo’n boek uit. Enige tijd later komt Romeyn vloekend en tierend terug. Het boek voldoet niet aan de normen: ‘Noem jai dát een open ènde?’ (voor meer klik op de kop van dit artikel)
Als de boekverkoopster daar voorzichtig tegenin brengt dat de genoemde vriendin het wellicht niet helemaal goed begrepen zou kúnnen hebben, is de beer los.
‘Je most je schame!’ brult Romeyn, zwaar beledigd omdat het beoordelingsvermogen van zijn vriendin in twijfel wordt getrokken. Mafiamaatje Prins slaat ondertussen een haak en een kabel om de boekenstellingen en trekt met de terreinwagen het winkelinterieur aan flarden. De boekhandelaarster blijft onthutst en van haar inkomsten beroofd achter.
In deze scène – overigens nog steeds op youtube te bekijken – wordt het conflict over literaire normen op het scherp van de snede gevoerd. Als metafoor voor het dossier dat voor u ligt, is het bijzonder bruikbaar – en stuk korter. Zonder toelichting zal duidelijk zijn dat ik mij wel herken in de positie van de boekhandelaarster. In de reactie van Romeyn zie ik, weliswaar minder hardhandig maar even effectief en dedaigneus, die van het Letterenfonds terug. Want net zoals in Boekenwinkel is een inhoudelijke discussie met het Fonds niet aan de orde.
De literaire norm, c’est moi, dat is de houding van het Fonds dat zich voor elke kritiek op haar toetsingscriteria afsluit. Maar waaraan men die exclusieve literariteit ontleent, of hoe die is opgebouwd… het lijkt alsof er over die vragen een omerta is afgekondigd. Het Fonds staat zichzelf geen enkele relativering toe, laat staan twijfel over de onaantastbaarheid van de toetsingscriteria dan wel over de feilloosheid waarmee ze worden toegepast. Het is dit gebrek aan bescheidenheid dat professor Karel van het Reve in zijn Huizingalezing in 1978 aan de kaak stelde. Geloof nou maar dat we een goed besluit hebben genomen, is de houding van het Fonds, onze criteria zijn even onschendbaar als de ex-cathedra’s van de paus. Het Fonds gelooft zo heilig in het eigen gelijk dat het zelfs niet de moeite vindt om aan een afgewezen auteur te laten weten wie zijn werk hebben beoordeeld en waarom het nu precíes is afgewezen.
Afgezien van dat opvallende gebrek aan zelfrelativering maakte Karel van het Reve de literatuurdeskundigen een tweede, veel zwaarder wegend, verwijt, dat ook nog steeds recht overeind staat. Het is onmacht en de onwil om te beschrijven waarom je het ene boek ‘goed’ kunt noemen en het andere ‘slecht’ zonder dat die beschrijvingen elkaar bijten. Ik citeer: ‘Men heeft zich in één klap van deze vraag afgemaakt door (…) een van de interessantste verschijnselen van de literatuur, het kwaliteitsverschil, buiten de literatuur te plaatsen.’ Dát fenomeen, Edelachtbaren, herhaalde zich bij de beoordeling van mijn subsidieaanvraag en die van andere misdaadauteurs: in zijn afwijzingsbrief laat het Fonds namelijk weten dat het beoordeelde werk Kunst zonder genade als misdaadroman ‘een geslaagd boek’ is. Het voldoet aan de genreaspecten en de fondsadviseurs noemen het zonder meer vakkundig. Ik zou zeggen: als het Fonds zijn eigen mission statement dat je vanaf de homepage tegemoet dendert, serieus neemt, nl. het bevorderen van de diversiteit in de Nederlandse literatuur, dan zou ík een goede misdaadroman waarderen met een subsidietoekenning. Maar in plaats daarvan neemt het Fonds een merkwaardige beslissing: op grond van een aantal bij elkaar geharkte containerbegrippen als gelaagdheid, diepgang, stijl, verbeelding en karakterontwikkeling zet het Fonds een ‘geslaagde misdaadroman’ buiten de literatuur. Het Fonds hanteert dus één set criteria voor de misdaadliteratuur en één voor de ‘echte’ literatuur waardoor de misdaadroman per definitie buiten de literatuur wordt geplaatst.
Tergend is bovendien dat het Fonds hardnekkig weigert, niet alleen tijdens de interne beroepsprocedure maar ook hier voor de rechtbank, in te gaan op de gedetailleerde en concrete tegenargumenten die de getuige-deskundige Gert Jan de Vries en ikzelf ook naar voren hebben gebracht om aan te tonen dat er in Kunst zonder Genade wel degelijk sprake is van die diepgang, verbeelding, gelaagdheid, karakterontwikkeling en eigen stijl. Maar misschien is die weigering niet zo heel verwonderlijk als je moet constateren dat een van de fondsadviseurs het gratis ontvangen beoordelingsexemplaar Kunst zonder genade al in januari op boekwinkeltjes.nl voor acht euro te koop heeft aangeboden.
In zijn dankwoord voor de het toekennen van de Gouden Strop in 1994 wees Maarten ’t Hart al op de onzinnige maar oer-Nederlandse scheiding van literatuurkerkjes die zich in de loop van de negentiende eeuw afspeelde en waarvan de misdaadliteratuur het slachtoffer is geworden. Het is de hoogste tijd om dat cordon literair op te heffen temeer omdat de misdaadliteratuur, zowel de Nederlandse als de buitenlandse, in de laatste twintig jaar aan een kwalitatieve opmars is begonnen.
Edelachtbaren, ik pleit niet voor een situatie waarin iedereen die met zijn ene hand een pen kan vasthouden de andere meteen ook maar ophoudt om een schrijfsubsidie in ontvangst te nemen. Er moeten nu eenmaal keuzes gemaakt worden. Alleen zou de toetsing moeten plaatsvinden op basis van helder omschreven en transparant toegepaste criteria die het genre recht doen en die worden gehanteerd door adviseurs met een aantoonbare expertise op het terrein van de misdaadliteratuur. Pas dan kan er een deugdelijk oordeel met een inzichtelijke argumentatie uit de bus komen.
Ik verzoek u dan ook om het Fonds op te dragen de aanvraagprocedure voor een werkbeurs ten behoeve van Het Leugenarchief onder de genoemde condities opnieuw te laten doen.
Tot slot, Edelachtbaren: als het waar is dat literatuur inzicht poogt te bieden in de mysteriën van het bestaan, dan zou de beoordeling van die literatuur op zijn minst geen nieuwe raadselachtigheden moeten opleveren. Anders blijft het Fonds, om Arnhems meest spraakmakende dichter Johnnie the Selfkicker maar eens aan te halen, toch wel een heel ‘literáááár’ wereldje. Ik dank u voor uw aandacht.

Jac. Toes daagt Letterenfonds voor de rechter | Jac. Toes vs het Letterenfonds - de uitslag
